De axenroos: achtergrondinformatie.

Graag nemen we u mee op sleeptouw en laten we u kennis maken met de “AXENROOS”

Sociale vaardigheden evalueren

“Bart is een asociale jongen volgens zijn leraar, Geertrui is zeer moeilijk en Willem heeft geen problemen op sociaal vlak.” Wat bedoelt een leraar die ons dat vertelt? Het is vaak gemakkelijker om te spreken over reken- en taalprestaties dan over het sociale, tenzij die leerling echt opvalt door sociaal probleemgedrag. Een rapport invullen met de cijfers op de ‘leer’-vakken is meestal eenvoudiger dan iets schrijven over sociale vaardigheden.

Op school hanteren wij de axenroos als methodiek sociale vaardigheden. Het dient tot hulp bij het observeren, het aanleren en het evalueren ervan.

samen axenroos

Wat is de axenroos precies ?

De axenroos is ontstaan uit de gedrevenheid van de Belg Ferdinand Cuvelier, researchmedewerker, Dokter – psychiater en initiatiefnemer in 1978 van de Relatie-Studio. Hij zocht naar methoden en attitudes die het relationele leven van een mens kunnen uitzuiveren en verdiepen.

Om het relationele leven (met jezelf, met dingen, met anderen) duidelijk in woorden en beelden te kunnen weergeven en te ordenen, ontwikkelde hij de axenroos, een manier om inzicht te krijgen in tussenmenselijke relaties.

In die roos is niet alleen de plaats belangrijk, maar vooral de onderlinge relaties: zo kan je bv. maar leiding geven als er iemand is om het leiderschap te aanvaarden. Alle gedragingen worden gesymboliseerd door dieren. Een goed functionerende mens slaagt er in om in elke situatie vanuit de juist ax ( = het juiste dier ) te handelen. Bij een gezond handelen zal je dus zo van de ene ax naar de andere kunnen overstappen.

Je kan elk dier op een fijne positieve (goedgemutste) manier zijn, maar ook op een verkeerde, negatieve (slechtgemutste) manier. Via de dierensymbolen leren de kinderen gemakkelijker nadenken over hun eigen en andermans gedrag. Ze leren open staan voor elkaar en leren elkaar beter begrijpen.

In de eerste kleuterklas maakt men kennis met het duo: bever en de poes. In de tweede kleuterklas leren we de duo’s leeuw en kameel en pauw en wasbeer kennen. Deze drie duo’s staan in relatie tot elkaar: de ene geeft, de andere neemt. Vanaf de derde kleuterklas leert men alle dieren kennen, ook degene die in afzondering zijn: uil en schildpad. Havik en steenbok leert men kennen als “ goedgemutste dieren” uit de conflictzone.

Sociale vaardigheden op school

Op school gaan kinderen op verschillende manieren met elkaar om. Ze spelen, babbelen en vechten. Ze zoeken contact, ze trekken zich terug en ze werken samen. Ze gaan spontaan met elkaar om, zonder hier echt bij na te denken . Ze gebruiken hun manieren van doen als hun eigen moedertaal. Dat doen ze omdat ze onderdeel van de wereld zijn. Ze ontdekken een wereld van tussenmenselijke relaties. Sommigen lukt dat gemakkelijk en anderen dreigen uit de boot te vallen. Er zijn angsten, teleurstellingen, er is paniek of eenzaamheid. Maar er is ook blijheid, kameraadschap, vriendelijkheid en spontaniteit. Een volledig gamma van relatiewijzen wordt door hen spelenderwijs ontdekt en onbewust ingeoefend en vormt een onderdeel van de sociaal emotionele ontwikkeling.

Relatiewijzen

De menselijke gedragingen zouden in een onoverzichtelijk aantal categorieën kunnen worden onderverdeeld. Om het eenvoudig te houden wordt er met de axenroos een onderverdeling gemaakt in een tiental grote categorieën. Dat is voldoende om mee te werken. Te veel eigenschappen of te veel dieren zouden tot verwarring leiden.

Het woordje ‘ax’ geeft de mogelijkheid aan die een mens heeft om tot een relationele ‘actie’ over te gaan. Het is een geheel van vaardigheden die een mens kan gebruiken om ‘goed’ te functioneren. Een goed functionerende mens slaagt erin in elke situatie vanuit de juiste ax te handelen, te spreken. Bij een gezond handelen zal je dus van de ene ax naar de andere overstappen. Wie erin slaagt in alle axen zeer stabiel te verblijven, zal een sterke persoonlijkheid ontwikkelen. Het kan echter zijn dat je in je functioneren merkt dat je een bepaalde ax ‘overdrijft’. Dan zal je deze moeten aanpassen.

Belangrijk is te proberen elke ax ‘positief’ te bekijken. Je moet de kinderen dus leren positief in de ax te staan door ze bijvoorbeeld uit te dagen om leiding te nemen, aan te nemen, mogen twijfelen, mogen verzet aantekenen, mogen kritiek geven. Elk kind heeft zijn eigen sterke axen. Het is goed dat kinderen die van zichzelf kennen. Elk kind heeft ook zijn zwakkere axen. Het is goed dat kinderen die leren aanvaarden en trachten bij te sturen.

 Opbouwende en destructieve vormen van axen

Elke ax kan een afbrekende of destructieve uitwerking hebben. Dan is ze krampachtig, onvrij makend, dwingend, overmatig herhaald. Die ax maakt de interactie moeilijk en breekt ze af.

Als een ax zich duidelijk uit met kwaliteit, helderheid en respect voor de ander, dan is zij constructief of opbouwend en maakt ze de relatie beter en eerlijker. Elke ax kan dus opbouwend en deugddoend zijn. Zij is duidelijk waarneembaar, efficiënt, goed gevormd, snel herkenbaar, congruent, krachtig. Die ax zorgt er voor dat er goede en opbouwende relaties ontstaan en onderhouden worden.
axendieren-photoshop
              

Diersymbolen

Om met kinderen over de verschillende relatiewijzen te kunnen spreken, gebruikt men diersymbolen. Ze bieden het voordeel dat ze gemakkelijker te verstaan zijn door jonge kinderen en dat het gebruik ervan volwassenen en kinderen een woordenschat aanreikt om sociale relaties bespreekbaar te maken. De drempelvrees om over jezelf te praten is dan veel minder groot omdat de kinderen zo’n vergelijking niet aanvoelen als een rechtstreekse evaluatie van hun eigen functioneren. Bovendien stimuleert het thema “dieren” hen omdat het aansluit bij hun belevingswereld.

Leerlingen kunnen makkelijk zelf de axenroos “zien” en toepassen wanneer het hen op een eenvoudige, concrete, beeldende manier wordt bijgebracht. Elk totemdier symboliseert een bepaalde ax.

Bij de jonge kinderen spreken we van een ‘goedgemutst’ of een ‘slechtgemutsts’ dier. Daarbij valt op dat elke relatiewijze opbouwend kan zijn, op voorwaarde dat zij de anderen respecteert en open staat voor hun reactie.

De dieren en hun kenmerken

Elk dier wordt gekenmerkt door een basishouding. Deze basishouding kan men in één woord samenvatten. Ter illustratie enkele voorbeelden uit het schoolleven.

1 Zich presenteren (de pauw biedt aan)
Joke vertelt over haar hobby’s en haar vakantieplannen tijdens een kringgesprek. Koen stapt niet gemakkelijk naar anderen toe en legt niet gemakkelijk contacten.

2 Opkijken, waarderen (de wasbeer neemt aan)
Leen nodigt regelmatig vriendinnetjes thuis uit. Wannes vertelt met veel lof over zijn opa.

3 Zorgen (de bever biedt aan of geeft)
Op het einde van de muzoles helpt Hanne spontaan bij het opruimen. De leerkracht moet Toon af en toe een beetje afremmen, zo niet zou hij alles weggeven.

4 Genieten ( de poes neemt aan of vraagt)
Peter houdt van knuffelen tijdens de les beweging. Wanneer Pol een geschenkje krijgt, geniet hij er zichtbaar van. Noortje zit er niet mee in om hulp te vragen.als hij iets niet kan.

5 Leiden (de leeuw biedt aan of geeft)
Karen geeft vaak uitleg aan wie een opdracht niet begrijpt. Heleen neemt de leiding bij een groepsopdracht. Bert is eerder te bazig.

6 Volgen (de kameel neemt aan of vraagt)
Plichtsgetrouw en gehoorzaam voert Arne de opdracht. Eveline stelt regelmatig vragen tijdens een les wereldoriëntatie. Soms overdrijft ze hierin wel wat.

7 Houden (de uil houdt)
Jan speelt graag alleen. Tim kan goed een geheim bewaren. Els vertelt niets over haar familie.

8 Lossen (de schildpad lost)
Leen laat zich gemakkelijk pesten. In plaats van zich te verdedigen begint ze te huilen. Tine haakt af wanneer een lesinhoud haar niet langer boeit.

9 Aanvechten (de havik vecht aan )
Karel geeft Monica een rustige duw: hij wil ook een plaats in de kring. Katrien wijst op een fout op het bord.

10 Weerstaan (steenbok weerstaat)
Vicky laat niet toe dat Kris haar een kus geeft. Anton weigert een huistaak te maken.

 

Sociale vaardigheden in de eindtermen

Sociale vaardigenheden als leeroverschrijdende eindtermen.

Niet alleen op school maar ook op gezins- en leefniveau is er een noodzaak aan sociale vaardigheden. Tot dit besluit kwam ook de Vlaamse Gemeenschap waarop ze in het onderwijs ruimte voorzag om de kinderen in sociale vaardigheden en relatiebekwaamheid te begeleiden. Sociale vaardigheidstraining is dus niet alleen interessant voor het kind, het is ook wettelijk verplicht en wordt omschreven onder de ‘vakoverschrijdende’ eindtermen.

De nadruk ligt hierbij op drie domeinen: het hanteren van een gepaste relatiewijze, zich bekwamen in het communiceren met anderen en het leren samenwerken met anderen.

 

UIL: Ik stel me bescheiden op en houd me op de achtergrond
De leerlingen kunnen:

  • Zich op de achtergrond of afzijdig houden.
  • Geen roddel rondstrooien.
  • Het vertrouwen van een ander niet beschamen.
  • Het leiderschap aan iemand anders laten i.p.v. zelf leider te willen zijn
  • Zich onpartijdig opstellen

 STEENBOK: Ik kan mezelf verdedigen op aanvaardbare wijze

De leerlingen kunnen:

  • Woorden vinden om zich weerbaar op te stellen, onder meer tegen plagerijen en pesterijen.
  • Zich niet iets laten ontfutselen of afnemen.
  • Hun rechten doen respecteren.
  • Weerstaan aan ‘verleidingen’ die hun welzijn negatief beïnvloeden

 BEVER: Ik kan zorg opbrengen voor iets of iemand anders.

De leerlingen kunnen:

  • Dienstbaarheid betuigen, bvb.:
    o Een ander in moeilijkheden bijstaan.
    ο Helpen als anderen iets of elkaar niet begrijpen.
    ο Bereid zijn een schrift, boek of gerei uit te lenen.
    ο Anderen helpen bij het opruimen.
  • Bedacht zijn om bij te dragen tot de leniging van maatschappelijke noden.
  • Op een adequate wijze de verdediging op zich nemen van zwakkeren die zich niet weten te handhaven.
  • Zorgzaam omgaan met eigen of andermans kledij, schoolgerei…
  • Zorg dragen voor de netheid van speelpleinen, lokalen, ruimtes, andere voorzieningen…

 POES: Ik kan hulp vragen en zorg aanvaarden

De leerlingen kunnen:

  • Iemands hulp inroepen.
  • Opkomen voor eigen wensen.
  • Zich laten helpen.
  • Genieten van hetgeen hen geboden wordt.
  • Dankbaarheid tonen voor wat ze krijgen.
  • Beleefdheid tonen bij het vragen.

(BEVER en POES zijn complementair; ze staan in relatie tot elkaar)

 SCHILDPAD: Ik kan ongelijk of onmacht toegeven, kritiek verdragen en eruit leren

De leerlingen kunnen:

  • De eigen onkunde of mislukking toegeven zonder valse excuses.
  • Zeggen wat ze niet begrepen hebben, wat ze niet weten of waaraan ze twijfelen.
  • Eigen onkunde bekijken als een kans om te leren.
  • Zich verontschuldigen na een begane fout, gevecht, ruzie,…
  • Kritiek beluisteren, eventueel aanvaarden.

 PAUW: Ik stel me op gepaste wijze aan anderen voor.

De leerlingen kunnen:

  • Zich voorstellen ‘met naam’ in groep.
  • Naar anderen toestappen en contact leggen.
  • Binnen de klasgroep naar voren treden.
  • Een eigen mening onder woorden brengen.
  • In ik – termen spreken.
  • Het woord nemen in een groepsgesprek.
  • T.o.v. anderen verwoorden wat men waarneemt, zich voorstelt, zich herinnert.
  • Spontaan iets van zichzelf vertellen.

 WASBEER: Ik ben beleefd en respectvol in omgang met leerlingen, leerkrachten, ouders,…

De leerlingen kunnen:

  • Elementaire vormen van beleefdheid hanteren, bvb.:
    o De ander laten uitspreken en niet onnodig in de rede vallen.
    ο Een ander eens laten voorgaan. De ander diens recht op ruimte geven.
  • De ander een evenwichtig deel van de beschikbare ruimte geven.
  • Een ander naar zijn/haar mening vragen.
  • Hun waardering uiten.
  • Bij gelegenheid de ander eens een pluimpje geven.
  • Een ander aanmoedigen, een schouderklopje geven.

(PAUW en WASBEER zijn complementair: ze staan in relatie tot elkaar)

 LEEUW: Ik kan de leiding nemen

De leerlingen kunnen:

  • Een voorstel naar voren brengen.
  • In een taaksituatie tonen of zeggen wat anderen moeten doen.
  • Verslag uitbrengen over een taakgroep.
  • In een kringgesprek een initiatief voor een gespreksonderwerp verwoorden.
  • Verantwoordelijkheid voor een groepstaak op zich nemen.

 KAMEEL: Ik kan leiderschap aanvaarden en spontaan meewerken

De leerlingen kunnen:

  • Het leiderschap van een klasgenoot aanvaarden.
  • Regels en afspraken nakomen.
  • Leren samenwerken in de klas.
  • Met inzet meespelen in een ploegspel.
  • Instemming betonen.

(LEEUW en KAMEEL zijn complementair: ze staan in relatie tot elkaar)

 HAVIK: Ik kan mijn eigen kritische mening vormen en deze gepast formuleren

De leerlingen kunnen:

  • Kritisch een situatie waarnemen en zo verwoorden dat ze bespreekbaar wordt.
  • Een medeleerling(e) confronteren met het effect van zijn/haar gedrag.
  • Op beleefde wijze onder woorden brengen t.o.v. ouderen wat zij denken dat zij verkeerd doen.
  • Kritisch nadenken over bepaalde maatschappelijke problemen.

 

Klik hier om terug naar boven te gaan

Comments are closed.